De Bokser



Hoewel ik een arme jongen ben, is mijn verhaal zowaar zelden verteld. Het is 1951. In de straten van Newark, New Jersey groei ik op. Zoals gezegd we zijn arm. En ook al is de oorlog voorbij en hoef ik niet zoals gesneuvelde ooms en neven mijn leven direct te geven voor mijn land, voer ik wel strijd. Strijd om te overleven en gedijen in deze samenleving.

Ik heb mijn verzet voor het bestaande aan de kant gezet voor een zak vol gemompel. Een zak vol met beloftes die allemaal aarden in leugens en schertsen. Beloftes over betere oorden. Plekken vol kansen. Ook al draag ik in mijn botten een ongemakkelijk gevoel, toch hoort een man wat hij wil horen en negeert hij de rest. Ik ga op pad.


Het vertrek

Toen ik mijn thuis en mijn familie verliet was ik nog maar een jongen. Op weg naar die grote stad. De stad van mogelijkheden. De jongen veranderde beetje bij beetje. In het bijzijn van vreemden en in de stilte van een treinstation rende ik weg vol angst. Ik moest mij verschuilen op plekken waar je ver weg van wil blijven. Met de bedoeling niet op te vallen ontdekte ik de armere kwartieren van de stad. Hier waar de haveloze mensen rondstruinden op zoek naar de plekken die alleen zij zouden kennen. Ik was beland in Queens. Hier voerde ik mijn bestaan. Hier voerde ik mijn strijd.


Tijd verstrijkt, maar ik niet

De jaren rollen mij voorbij. Het ene jaar beter dan het andere. Ze schommelen evenredig. De strijd is niet voorbij. Ik blijf vechten voor mijn bestaan. Ik ben ouder dan ik eerst was, maar jonger dan ik zal zijn. Dat is niet per se ongewoon. Nee, zeker niet raar. En ondanks dat blijven we verandering na verandering min of meer hetzelfde.


Afwijzing en acceptatie

Op zoek naar werk vraag ik slechts een simpel arbeidersloon. Maar niemand biedt mij iets aan. Ik word keer op keer afgewezen, maar ik hou stand. Het enige aanbod wat ik krijg is het gelonk van de hoeren op Seventh Avenue. Ik moet eerlijk toegeven, er waren tijden dat ik zo eenzaam was dat ik daar wat troost opzocht.


De bokser

Het is 1968. Op de open plek staat een bokser. Hij is een echte beroepsvechter. Hij draagt de herinneringen van elke bokshandschoen die hem ooit neer heeft gehaald of hem heeft gehavend. Vaak hebben deze verwondingen, deze klappen hem ertoe gebracht dat hij uitschreeuwde, tot zijn woede en schaamte: ‘Ik vertrek, ik vertrek’. Hij wil geen vechter meer zijn. Het strijden maakt hem moe. Het put hem uit. Hij wil er van af. Hij wil de handdoek in de ring gooien. Maar hij is een vechter. De bokser blijft nog altijd in hem. Het strijden houdt niet op. Hij zal moeten blijven strijden als de vechter die hij is. Lai la lai.