Veel mensen voegen weinig toe



De overgrote meerderheid van mensen in organisaties voegt geen drol toe. Een minuscuul deel van de mensen doet de bulk van het werk. Kijk eens om je heen in de organisatie waar je zit. Klopt dat?


In 1965 publiceerde Derek J. de Solla Price, een Engelse natuurkundige en wiskundige met kort grijs krullend haar en van die droopy eyes die meer doorhebben dan op het eerste gezicht lijkt, een wetenschappelijk artikel in het prominente Science. Hij onderzocht hoeveel van de wetenschappelijke artikelen geproduceerd werd door wie. Zouden onderzoekers evenveel artikelen schrijven of kwam het uit de handen van enkelen?


Price kon een wiskundige formule bedenken bij de bevindingen van zijn onderzoek. Zijn formule werd al gauw gezien als een wet. Oftewel, het ging niet alleen op voor het publiceren van wetenschappelijke artikelen, maar voor nog veel meer dingen.


Price’s Law

De wet gaat als volgt: De wortel (wiskundige, niet die van Bugs Bunny) van het aantal mensen dat aan een onderwerp werkt produceert de helft van al het werk.


Dus als 10 mensen ergens aan werken, zullen ongeveer 3 op die 10 mensen de helft van het werk verrichten. Bij 25 zijn het 5 mensen die de helft van het werk doen. Bij 100 zijn het er 10 en bij 10.000 zijn het er 100, enzovoorts.


Een klein groepje mensen produceert een enorme hoeveelheid werk. Dit geldt niet alleen voor wetenschappelijke artikelen, waar maar een paar wetenschappers de meeste artikelen weten te publiceren. Dit geldt ook voor muziek van artiesten, beleidsdocumenten in gemeentes, aantal operaties door chirurgen, en ga zo maar door. Een kleine hoeveelheid artiesten maakt dus de helft van alle gemaakte en beluisterde muziek.


De vrijwel gelijke Pareto Distributie (een uitwerking daarvan is de welbekende 80/20 regel) zegt hetzelfde. Een paar mensen hebben het meeste geld in handen, de 1 procent. Wat zelfs is doorvertaald naar niet menselijke dingen, zoals: Een paar grote steden hebben een zeer groot deel van de totale inwoners. Een paar meteorieten omvatten het grootste deel van de totale massa van alle meteorieten (oftewel, een paar zijn monsterlijk groot en heel veel zijn erg klein). De grootte van zandkorrels. De grootte van bossen / oerwouden. De hoeveelheid water in meren: een paar meren hebben het meeste water van alle meren bij elkaar. En zo nog weet ik het hoeveel voorbeelden.


Denk ook maar eens aan je studententijd, toen je in een projectgroepje moest werken. Als je met 9 mensen in een groep zat, hoeveel mensen namen vrijwel het grootste deel van het werk op zich? Precies. Ongeveer 3.


Waar komt dit door?

Dat is lastig te zeggen. De richtlijn van zowel Price’s Law als de Pareto Distributie geeft aan dat er een natuurlijke ongelijkheid is in veel dingen. Hoe dat precies tot stand komt wordt er niet bij gezegd, maar hier doe ik er een gooi naar wanneer je het op mensen betrekt:


In een experiment liet een onderzoeker proefpersonen touwtrekken. Het touw zat vastgebonden aan een machine die kon meten hoeveel kilogram aan kracht er op werd uitgeoefend. Eerst mochten de proefpersonen individueel trekken. De eerste trok 80kg, de tweede 70kg en de derde ook 80kg. Als ze alle drie tegelijkertijd zouden trekken, zou je dus verwachten dat ze 80+70+80 = 230kg zouden trekken. In werkelijkheid trokken ze samen maar 170 kg. Dit verminderen van inzet door een groep wordt social loafing genoemd.


Door groepsgrootte doen mensen minder. Ze voelen zich minder verantwoordelijk voor het geheel (dit noemen ze diffusion of responsibility). Bij een nog grotere groep is de individuele bijdrage lastiger te vatten, dus gaan mensen nog minder presteren, enzovoorts. Mensen kijken veel naar elkaar, dus als ze zien dat anderen weinig doen hebben ze de neiging om zelf ook weinig te doen.


Mensen die lak hebben aan anderen die weinig doen zijn uitzonderingen. Dat zijn dan ook vaak de mensen die met een flinke minderheid de helft van het werk verzetten.


Ja leuk, maar wat heb ik hier aan?

Als Price’s Law echt waar is, en daar lijkt het als richtlijn dus behoorlijk op, wat betekent dit dan voor organisaties en voor jou?


Voor organisaties betekent het dat hoe meer mensen je hebt, je relatief steeds minder aan elke persoon extra hebt. Dat kost natuurlijk best wat.


Wat je daaraan kunt doen is luisteren naar Eckart Wintzen en zijn celtheorie: maak kleine onafhankelijke groepjes. Het onafhankelijke is belangrijk, want anders gaan mensen vergelijkingen trekken en plaatsen ze zichzelf nog steeds binnen de grote groep, waarin de wortel van die grote groep 50% van het werk doet. En hoe groter het getal, des te groter is de groep die individueel gezien weinig toevoegt.


Voor jou persoonlijk betekent het dat je je niets moet aantrekken van die mensen die om je heen vrij weinig lijken te doen door het gevolg van social loafing. Ga er niet in mee. Probeer in plaats daarvan bij die kleine groep te horen die het meeste werk verzet. Maak het tegelijkertijd niet te gek: overwerken en meer doen dan je lief is is niet gezond. Maar meegaan in zeiken over alles in plaats van gas geven is dat ook niet.


Wat je hier verder aan hebt? Weinig. Slechts een klein deel van wat ik schrijf brengt 50% van de toegevoegde waarde. De rest is geleuter.


Dag!